
De Nederlandse taal kent tal van zegswijzen die ontleend zijn aan de scheepvaart (voornamelijk aan de zeilvaart), maar die ook daarbuiten werden en worden gebruikt en een (andere) betekenis hebben gekregen. Op deze pagina vindt u daarvan een regelmatig wisselende selectie. Reden misschien om hier nog eens terug te komen.
Veel van deze termen zijn gevonden in het boekje "Alles wel aan boord". De verzameling in dit boekje is van F. Kerkdijk en het werkje is in 1946 (in derde druk) uitgekomen bij uitgeverij Stols in Den Haag. Citaten daaruit zijn overgenomen in de spelling van die tijd.
Een scheepsterm die niet zal wisselen, maar hier permanent en prominent bovenaan zal blijven staan is de naam van ons koor:
"Kantje boord"
De "boorden" zijn de opstaande randen van de scheepswanden, die het dek van een schip omgeven. Wanneer je "aan boord" gaat, begeef je je binnen die boorden. De bovenzijde van een boord wordt wel de "kant" genoemd. Bij zwaar weer helt het schip vaak sterk zijwaarts en raakt het soms met de kant van het boord onder water, waarbij het gevaar dreigt dat het zal omslaan. Weet de bemanning dit gevaar te keren en het schip weer op te richten, dan spreken we van "Kantje boord"
"Dat was kantje boord": het is nog maar net goed gegaan